OVER DE DOOD

“ik zal het koren niet meer zien, noch binden ooit de volle schoven, doch, doe mij in de oogst geloven waarvoor ik dien”

 

 

Een groepje dichters en auteurs verzorgt de uitvaart van eenzaam gestorven Amsterdammers

Iedereen kent ze: de grauwe ruiten

Die als doffe ogen in de gevels hangen

De gesloten leden, de moeie lappen

waarachter onzichtbare mensen wonen.

Iedereen kent ze: de onzichtbare mensen

Die op banken en bedden liggen, achter

deuren zonder naam erop, iedereen kent ze

De deuren en ramen, niet de mensen

F. Starik, pseudoniem van Frank von der Möhlen (1958-2018)

Zie ook: “de eenzame uitvaart”  en “Hier besta ik” door F. Starik en

artikelen en boeken door Joris van Casteren (1976)

Een wonderbaarlijke plek midden in Amsterdam: Huis te Vraag

Te bezoeken van dinsdag tot en met vrijdag tussen 11.00 en 17.00 uur. (tijdens de winter tot 16.00 uur) (en, zie agenda.)

Het adres van de begraafplaats is Rijnsburgstraat 51 te Amsterdam.

Voor vragen:
Patrick van Ginkel: 0614398022
of: patrick@huistevraag.nl

 

Wonderschoon: Huis te Vraag

Huis te Vraag is een grote Naam met een lange geschiedenis, maar als wij dat zo zeggen, bedoelen wij de geschiedenis van de plek als grondstuk. Voor sommige historici gaat het om het Huis – van 1618 tot 1890 – en voor anderen is het de geschiedenis van de Naam, die veel ouder is en die nog steeds bestaat.

Al voor 1400 en waarschijnlijk al zolang beide plaatsen bestaan, was er een weg van Haarlem naar Amsterdam. Het was een weg met zijwegen van de ene hoeve naar de andere en omdat het allemaal nog landschap was met veel water, riet, bossen en moerassen was de kans op verdwalen niet denkbeeldig. Op ongeveer deze plaats bereikte de weg de Schinkel, een veenstroom of overloop van de Nieuwe Meer naar het IJ. Het lag voor de hand, dat hier zoiets als een veerhuis annex herberg zou ontstaan, een huisje met een bootje waar men wat te drinken kon krijgen en iets te eten. Amsterdam was nog ver weg. Ten einde klanten te werven, plaatste de herbergier een bord aan de weg met de tekst ‘te vraghe’, wat zoveel betekende als ‘hier kun je iets vragen’, wij zouden zeggen ‘inlichtingen’.

Volgens het verhaal zou keizer Maximiliaan van Oostenrijk, toen nog Groothertog, in 1486 op bedevaart van Haarlem naar Amsterdam hier de weg hebben gevraagd. Vanaf die dag heette de herberg openlijk ‘te Vraghe’ met uithangbord en al.

Dit verhaal deed meer dan 150 jaar de ronde, het werd telkens opnieuw en telkens anders verteld tot het omstreeks 1618 ter ore kwam van een Amsterdamse lakenfabrikant, die het zo’n aardig verhaal vond, dat hij op het idee kwam hier op dezelfde plek aan de Schinkel een landhuis te bouwen in grote stijl. Dit Huis noemde hij uiteraard ’t Huys te Vraag ofschoon de herberg, die nog steeds bestond, de reputatie had. (Vanaf 1700 schreef men Huis de Vraag, toenmalige reeds moderne spelling.)

Het Huis groeide uit tot een nederzetting; er kwamen enkele boerderijen bij, een molen en een kleine scheepswerf. De Schinkel was al een druk bevaren waterweg en op de Nieuwe Meer werd aan visserij gedaan. Huis te Vraag werd een begrip en een referentiepunt voor de wijde omgeving, in handel en wandel en in het dagelijks gesprek. In koopakten van onroerend goed werd de ligging en begrenzing beschreven met betrekking tot Huis te Vraag. Het Huis kende een lange reeks van eigenaren, die allemaal iets te maken hadden met de lakenindustrie en de katoenververij. Maar toen ging alles verloren, zoals in de gevelsteen al was voorzien. Deze zichzelf beschrijvende wereld ging verloren, de lakenindustrie en de katoenververij en daarmee het Huis.

Nadat duidelijk geworden was dat het Huis niet meer exploitabel was en het onderhoud te duur, besloot de laatste eigenaar, een zekere heer Poort de boel dan maar te sluiten en het Huis te slopen. De historische waarde van het landhuis was nooit een argument, historische waarde was toen überhaupt geen argument, er was immers nog geschiedenis genoeg. De sloop greep plaats in 1890.

Dat was wel het einde van het Huis, maar niet van de plaats en ook niet van de Naam. De Naam was sterker dan het Huis en de geschiedenis ging door. Een jaar later kreeg Pieter Oosterhuis, de nieuwe eigenaar van het grondstuk, toestemming van het gemeentebestuur van Sloten om hier een begraafplaats te beginnen. In zijn verzoek aan de Gemeente sprak hij van een ‘bijzondere begraafplaats’ voor de Protestantse Gemeente Sloten en Omgeving.

Hij liet zijn aanvraag vergezeld gaan van een uitvoerige beschrijving van hoe hij dacht de begraafplaats in te richten, met o.a. een aula en ontvangstruimte in klassieke stijl, een woning voor de beheerder en zelfs een opsomming van de bomen en struiken die hij dacht te planten. Daarbij liet hij zich eveneens inspireren door de klassieke oudheid.

Er was weliswaar nog ruimte genoeg in de omgeving en wat dat aangaat had er overal een begraafplaats aangelegd kunnen worden – als een begraafplaats tenminste een kwestie van ruimte is – maar dat was allemaal laagveen en daar kun je niet fatsoenlijk in begraven. Huis de Vraag echter, het grondstuk, was al min of meer een terp; in elk geval was het, nadat men het puin van het gesloopte landhuis had uitgespreid, een goed draagvlak voor een terp en gunstig gelegen aan de rivier, waardoor de benodigde 50.000 m3 zand vanuit Muiderberg per schip kon worden aangevoerd.

Alleen de Naam kon men niet slopen en niet zonder meer dienstbaar maken aan de nieuwe bestemming. Pieter Oosterhuis zat daar wel een beetje mee. De Vraag en zelfs Huis de Vraag, in de toenmalige spelling, als naam voor een begraafplaats deed onmiddellijk denken aan de grote Vraag naar de dood en de zin van het mensenbestaan en van die vraag had hij niet terug.

Hij dacht dat het niet goed zou zijn voor de zaak, in elk geval durfde hij het niet aan en daarom greep hij terug op de oude spelling en de toch enigszins vermakelijke anekdote van Maximiliaan van Oostenrijk. Hij liet briefpapier drukken met als hoofd ‘Protestantsche Begraafplaats te Vraag’. De officiële opening vond plaats op 24 september 1891.

Tot dan toe werden de begraafplaatsen en kerkhoven beheerd door de Gemeente of door de Kerk. Huis te Vraag, zoals de volksmond bleef zeggen, was de eerste particuliere begraafplaats van Amsterdam en waarschijnlijk de eerste in de wijde omgeving. Het was een familiebedrijf, dat wil zeggen, dat men met elkaar moest roeien met de riemen, die men had en zich moest behelpen met de voorhanden middelen en met wat men zoal op de kop kon tikken aan rekwisieten, zoals de gevelsteen uit het gesloopte landhuis en de zuilen van de zuilenpoort met architraaf.

Veel plezier heeft Pieter Oosterhuis van zijn begraafplaats niet gehad en de tuin die hij in gedachten had, heeft hij nooit mogen aanschouwen. Hij stierf korte tijd later, waarna zijn weduwe Catharina de Waart de zaak overnam en toen ook deze in 1910 kwam te overlijden, werd haar zuster Elizabeth de Waart de nieuwe eigenaresse. Dat duurde niet lang, reeds drie jaar later verkocht zij de begraafplaats en werd Johan Steenhagen de nieuwe eigenaar.

De herberg, telkens een andere herberg – en een ander gebouw – maar op dezelfde plaats en met dezelfde naam, bestond nog steeds en zou blijven bestaan tot na de 2e Wereldoorlog. Huis te Vraag was een goedlopend bedrijf van voornamelijk familiegraven, dat wil zeggen dat er drie, vier en soms zelfs tot vijf diep begraven werd en er hier dus veel meer mensen liggen begraven dan het kleine oppervlak doet vermoeden.

In 1962 waren het er ruim 16.000. In werkelijkheid zijn het er meer; tijdens de oorlog werden er Joden en onderduikers begraven en slachtoffers van de Hongerwinter, die men naakt en anoniem langs de straat vond en die vanuit de Zuiderkerk naar hier werden overgebracht. Deze doden werden natuurlijk niet geregistreerd. Maar toen, in 1962, was het ook echt vol, er kon niemand meer bij en de zaken stagneerden. De toenmalige eigenaar kreeg geen toestemming tot uitbreiding – verdere zandophoging – en zag zich genoodzaakt het grondstuk te verkopen aan de Gemeente, inclusief de begraafplaats en de doden. (verkoopdatum 24 september 1963)

Volgens de toen geldende ‘Wet op de Lijkbezorging’ zou de begraafplaats nog 30 jaar na de laatst begravene moeten blijven bestaan. De laatste begravene was Ids Koopmans, te Hindelopen geboren in 1876 en gestorven in Amsterdam in 1962. Formeel zou de begraafplaats dus in 1992 kunnen worden geruimd.

In tussentijd werd het beheer, althans de administratie, ondergebracht bij de Nieuwe Oosterbegraafplaats oftewel de Algemene Dienst Begraafplaatsen en Crematoria, een overkoepelende Dienst van de grote stad Amsterdam. Later, toen de stad werd opgedeeld in min of meer autonome stadsdelen, zou deze Dienst eveneens worden opgeheven en toen was er van overheidswege niemand meer, die zich om Huis te Vraag bekommerde. Er was weliswaar niemand meer, die zich om Huis te Vraag bekommerde als Begraafplaats, maar er was meer dan genoeg belangstelling voor de grond. Al vanaf 1914 had men plannen gesmeed en strijd geleverd om dit voordelig gelegen stukje grond, deze ‘toplocatie aan de Zuidas’, in handen te krijgen.

Dat al die pogingen zijn mislukt en de begraafplaats is blijven bestaan, is op z’n minst raadselachtig.

 

 

In iedere krant en in ieder boek kun je uitspraken over de dood vinden die, voor degene die het opschreef van groot belang waren, en hopelijk nog steeds zijn.

 vanaf mijn 20-ste schreef ik enkele uitspraken, die mij het meest raakten, op:

***

Ik kan alleen woorden ontmoeten / u niet meer / maar hiermee houdt het groeten aan, zozeer / dat ik wel moet geloven dat gij luistert / zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor. (mei 1993)

*

ik draag gestorven zonlicht in mijn mond, waardoor, uit het weleer, de tijd, de beelden in de wanden bijt, die wijken voor mij uit; verbruikend deze zekerheid worden de woorden afgrond tot eeuwigheid

Ik leef van binnen eender met u door / voor mijn gevoelens maakt het geen verschil of geen orgaan u meer bereiken wil / Ze zijn d’ervaring een ontmoeting voor.

*

Gij hebt een voorsprong in het niet – de dodelijke achterstand / die zich met ieder uur vergroot / verhindert niet dat ik uw hand terug kan vinden in mijn hand /

Achter mij volgt een dubbelspoor voetstappen in het zand, hoewel ik u naast mij verloor.

Gerrit Achterberg

***

Ga op reis, ga op reis, keer tot u zelve in /

zoek in uw ziel het paradijs en ’s levens diepste zin /

Geen landschap spreidt zo ver, zo wijd, een eind’loos vergezicht /

Waar goed en kwaad tezamen gaat en zand naast zilver licht! /

Zoek dat pad, zoek dat pad, zeg dan in waarheid vrij:

Hier binnen draagt elk mens een schat, die wereld is van mij.

*

Hella Haasse

***

waarom dan het hart te laten derven / de weg langs naar het eind der reis / en niet gelijk Verlaine sterven / dichter en dronken, vuil en wijs?

J.C. Bloem

***

na mijn dood strooi uit mijn as voor alle winden / dat wat mijn lichaam was de weg kan vinden /

naar alles wat het eens beminde naar wolk en zee / en zich daarmee verbinden

*

Martha A. Muusses

***

de dood staat aan het einde van alles

in het abattoir slacht men de beesten in serie / de mens moet alleen doodgaan

*

Jan Siebelink

 ***

de rouw om vrienden is een lotsvoltrekking / waarbij ik amper nog betrokken ben / pijn, razernij en wanhoop gaan voorbij / wat blijft: een niets. zonder mij, zonder mij.

*

Victor van Vriesland

***

‘Zoek mij terwijl ik er ben. leer mij kennen, omdat ik er ben. Ik ben er immers. en toch is zeker dat ik er niet ben.’

*

Dodenlied Zuid Celebes

***

 

over de dood verging het lied / daar bleef het in zijn eigen wezen

wat de rups als sterven voelt / herkent de vlinder als geboren worden

*

Khalil Gibran

***

 

***

de avond vrees je en het grote krimpen

de dingen in de kamer hebben pijn

er lopen dwars door je geraamte schimmen

en in de tuin dieren die angstig zijn

 

schimmen van vroeger die maar niet bedaren

zingende tot hun strottenhoofd verweerde

hees, heser met het klimmen van de jaren

(het zit je toch niet in je kouwe kleren)

 

hosanna zongen we, we waren jong

we dansten en we blaften naar de maan

nu praat het daglicht met een dubbele tong

er komt nog een luguber feestje aan

*

Boemerang, psalm Gerard Komrij, bij zijn sterven in 2012

***

*****

 

***

Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,

ik sta in uwen dienst zonder bezit 

Maar ik ben rijk in dit: 

dat ik den ploeg van uw woord mag besturen,

en dat gij mij hebt toegewezen 

dit afgelegen land en deze

hooge landouwen, waar – als in het uur

der schafte bij de paarden van mijn wil

ik leun vermoeid en stil –

de zee mij zichtbaar is zoover ik tuur 

Ik vraag maar een ding: kracht

te dulden dit besef, dat ik geboren ben

in ’t najaar van een wereld

en daarin sterven moet.

Gij weet hoe, als de ritselende klacht

van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,

weemoed mij talmen doet

tot ik welhaast voor u verloren ben. 

Ik zal de halmen niet meer zien

noch binden ooit de volle schoven,

maar doe mij in den oogst gelooven

waarvoor ik dien… 

Opdat, nog in de laatste voor,

ik weten mag dat mij uw doel verkoor

 te zijn een ernstig ploeger op de landen

van een te worden schoonheid; eenzaam tegen

der eigen liefde dalend avondrood –

die ziet beneden aan den sprong der wegen

de hoeve van zijn deemoed, en het branden

der zachte lamp van een gelaten dood.

*

Adriaan Roland Holst, de ploeger, 1948.

***

****

 …die het leven bezag en tot de conclusie kwam 

dat elk verantwoordelijk, zelfdenkend individu 

het recht had het geschenk (je eigen leven) 

waarom nooit was gevraagd te weigeren, en wiens 

nobele gebaar met elk decennium dat voorbijging 

de compromissen en de benepenheid waaruit de 

meeste levens bestaan, steeds weer benadrukte. De 

meeste levens: mijn leven.

*

Julian Barnes, alsof het voorbij is 

***

…“ ik kijk naar papa, die er altijd was, die niet wist hoe te leven, die niet op kon tegen de herfst die aanbreekt, de dingen die overgaan, de dingen die niet overgaan.”

*

Griet Op De Beeck

***

‘De macht van dode dierbaren is bekend; het leven is er in gestold en er wezenlijker in aanwezig dan in welk van haar ogenblikken ook.’

*

‘Wanneer iemand die je dierbaar is overlijdt; dan betalen wij de schuld van het verder leven met duizend ontroerende gevoelens van spijt, van berouw.’

*

Simone de Beauvoir, een zachte dood

***

’tussen geboorte en dood is het leven een grote depressie’

*

Jean Paul Sartre

***

 We zijn passanten en de tijdelijkheid van alles, valt speciaal op bij oud en nieuw. Weer zo’n jaar voorbij. Alles keurig in de tijd geplaatst, meedogenloos helder en voorbij.

*

Sjoerd van der Veen, 2016

***

 

Alles is van een ander, alleen de tijd is van ons.

*

Seneca

***

 

De groet van filosofen onder elkaar zou moeten zijn: “neem je tijd!”  

*

Ludwig Wittgenstein

***

 

Niet in de voltooiing, maar in de wegen ernaar toe, schuilt de zin van ons onophefbare verlangen naar een omvattende betekenis.

*

Jos de Mul

***

 

Conversatie, het middel waarmee vriendschap tot uitdrukking wordt gebracht, is oppervlakkig gebeuzel dat ons niets brengt dat de moeite waard is.

*

Marcel Proust

 

***

Over (-) lijden
 
Geachte Dood, ik weet dat u het druk heeft
Toch stoor ik u met mijn oprecht verzoek
Vereer mij, als u om een lijdend mens geeft
met een vervroegd en kortdurend bezoek
 
Vandaag lijkt u veel zachter dan het leven
dat ik van anderen nog willen moet
Mijn naasten zijn nog allerminst bedreven
in ’t formuleren van een afscheidsgroet
 
Geachte Dood, ik lig hier te verrekken
en wil graag dat mijn as snel wordt verstrooid
Mijn naasten zien mij liever niet vertrekken
De symbiose blijkt nog onvoltooid   
 
Mijn vrije wil bleek moeiteloos te vangen
te gijzelen door andermans verlangen


 
© Aad van der Waal/ stadsdichter Apeldoorn 2018

***

 

 

 

 

 

 

***  Anoniem  ***

een deur slaat dicht, een lege gang / leidt mij naar het licht, dat vagelijk schijnt / aan het einde van een lijdensweg.

*

een woord verstomt, en ’n leegte stroomt in mij / als een tweede deur zich opent / en daar achter ik verdwijn, voor altijd, voor eeuwig

* 

so nimm denn meine Hande / Und fuhre mich / bisz an mein selig’s Ende / und Ewiglich 

In Japan wordt al 500 jaar het Obon festival gevierd. Men gelooft dat de geesten van voorouders tijdelijk terugkeren naar de menselijke wereld om hun familie te bezoeken en geluk te brengen. Ieder jaar worden zij welkom geheten door vreugdevuren en lantaarns bij het huis en op het graf. Op de laatste dag worden papieren bootjes met een lampion en vaak voorzien van een persoonlijke tekst, op rivieren, meren en de zee geplaatst om zo de geesten van de voorouders weer terug te begeleiden naar de hemel. Een mooi ritueel dat de elementen vuur, water, lucht en aarde met elkaar verbindt. De verlichte bootjes drijven langzaam weg, gedragen door de wind. 

 

 

je hoeft niet gepreopucceerd te zijn met de dood om dit museum bijzonder te vinden:

MUSEUM TOT ZOVER

dit is het enige nederlandse museum dat gevestigd is op een begraafplaats. De voormalige directeurswoning van de nieuwe ooster is verbouwd tot een moderne tentoonstellingsruimte met museumcafé.

je vindt ’tot zover’ direct voorbij de monumentale hoofdpoort van de nieuwe ooster begraafplaats in amsterdam

kruislaan 124 1097GA amsterdam

zomer 2023 expositie over de  

EETCULTUUR IN DE ROUWFASE in museum ’tot zover’

FUNERAIR ONDERZOEK

De schedel is platgeslagen door de mode

“De commodificatie van schedels en dode lichamen in de infotainment industrie verandert sterfelijke resten in een voyeuristisch spectakel.”

Jacque Lynn Foltyn PhD (2008) Dead famous and dead sexy: Popular culture, forensics, and the rise of the corpse, Mortality, 13:2, 153-173

 

“Wanneer symbolen, zelfs die met de kracht van schedels, zoveel betekenissen dragen, wordt de betekenis van elk ervan verminderd – soms tot het punt waarop ze alleen nog naar zichzelf verwijzen, zoals beroemd zijn om het beroemd zijn.”

Michael C. Kearl (2015) The proliferation of skulls in popular culture: a case study of how the traditional symbol of mortality was rendered meaningless, Mortality, 20:1, 1-18.

voorjaar 2023  expositie BIEDERMEIER VERDRIET 

over onze rouwcultuur

Het hoogtepunt van de Europese rouwcultuur ligt in de 19e eeuw. Rouwgebruiken gaven openlijk uiting aan het persoonlijke gevoel van gemis om de dood van de ander. Maar wél op ingetogen wijze. Cultivering van de herinnering kreeg in Nederland gestalte in gedachtenisvoorwerpen, rituelen en landschappelijke begraafplaatsen met grafmonumenten. Funerair historicus Wim Cappers typeert deze burgerlijke rouwcultuur als ‘Biedermeier verdriet’ en ontsluit het thema via het perspectief van Nicolaas Beets (1814-1903).


Tekst: Wim Cappers, funerair historicus
Beeld en redactie: Laura Cramwinckel
 

Nicolaas Beets? Is dat niet zo’n oubollige domineedichter? Dat klopt. Maar vergeet niet dat hij onder het pseudoniem Hildebrand in 1839 ook de Camera Obscura publiceerde. Dit is nog altijd een van de meest populaire en leesbare boeken van de negentiende eeuw. Het behoort tot de literaire canon. Overwin dus je wellicht lichte weerzin en download kosteloos een exemplaar van de Camera als eBook via de website van ’tot zover’.

 

Camera Obscura

Met deze bundel geeft Beets, die op het moment van verschijnen nog studentdichter was, op humoristische en ironische wijze een inkijkje in het burgerbestaan van de 19e eeuw. Niet in de laatste plaats speelt in de Camera de dood een grote rol. Dat geldt ten eerste voor het opstel ‘Begraven’. Maar ook in verhalen als ‘De familie Stastok’ en ‘De familie Kegge’ staat de dood centraal. Willen we dus iets weten over rouw in de eerste helft van de negentiende eeuw, dan is dit boek een leesbare en interessante literaire bron.

En de tweede helft van de negentiende eeuw dan? Ook dan kunnen we terecht bij Beets: hij werd immers hoogbejaard en bleef schrijven. Na zijn studententijd manifesteerde hij zich tot zijn dood in 1903 als dichter, predikant en hoogleraar. De verzen zijn reflecties op dagelijkse gebeurtenissen, vrolijk en minder vrolijk. Omdat Beets vaak met de dood werd geconfronteerd, dichtte hij regelmatig over dit onderwerp. Beets schreef over en voor burgers en zo geven deze teksten inzicht in het rouwen door burgers. Terwijl de boeren op het platteland over het algemeen vasthielden aan hun burenhulp en hun vertrouwde rouwgewoontes, kreeg de rouw van burgers in de steden juist in de tijd van Beets het karakter van verstild verdriet.

Beets, de burger en het Biedermeier

Voordat we op de rouw van burgers inzoomen, gaan we op zoek naar een kernachtige karakteristiek van de burgerlijke cultuur in de negentiende eeuw. Die vinden we in de naam Biedermeier, naar het pseudoniem Gottlieb Biedermaier dat twee Duitse auteurs in 1855 gebruikten om de burgerlijkheid in de eerste helft van de 19e eeuw op de hak te nemen. De harde politieke les van de Revolutiejaren 1780-90 maakten velen in Europa ontvankelijker voor een huiselijk bestaan. Hooggestemde idealen liet men varen: het geluk werd gezocht in het ‘eigen hart’ en in de achting voor de naaste omgeving. Dankzij de cocktail van verstandelijke, sentimentele en godsdienstige elementen was ook Nederland in de ban van de Biedermeiercultuur. Zelfs na de liberale grondwetswijziging van 1848, toen de mannelijke burgerij alsnog meer invloed kreeg, bleef de Biedermeiercultuur in Nederland enkele decennia doorklinken. Beets was daarvan een boegbeeld.

 

TIJDPERK 19E EEUW

 Biedermeier of Victoriaans? Uiteraard is de Victoriaanse tijd een bruikbare aanduiding voor de 19e eeuw. De Engelse koningin die regeerde van 1837 tot 1901, is naamgeefster van deze periode waarin Engeland wereldwijd de dienst uitmaakte. Voor Nederland is deze aanduiding minder geschikt want de burgerlijke cultuur was al eerder en sterker verankerd. Bovendien kon ons land zich in niets met Engeland meten. Nederland industrialiseerde pas eind negentiende eeuw en Nederlands-Indië en Suriname vielen in het niet bij het Britse wereldrijk.

 Toch rijkte het dictaat van Koningin Victoria ver. Na de dood van haar echtgenoot prins Albert in 1861, besloot de vorstin niet alleen om zelf voor de rest van haar leven in het zwart gekleed te gaan, haar volk diende de stricte rouwetiquette ook te volgen. Op de foto poseren haar vijf dochters in zwarte rouwjaponnen rondom een buste van hun vader.

Lees meer over victoriaanse rouwcultuur in Engeland De aanduiding burger kreeg pas in het laatste kwart van de negentiende eeuw een negatieve klank bij kunstenaars, arbeiders en welgestelden. Een burger leek braaf maar werd toen ook wel gezien als hypocriet, hij was wel huiselijk maar niet strijdbaar, wel fatsoenlijk maar niet deftig. Daarmee kwam ook in Nederland een eind aan het Biedermeier.

 

Om de rouw in de eeuw van Beets en met hem veel andere burgers te kunnen karakteriseren als Biedermeier verdriet, beginnen we met een voorbeeld van de rouwcultuur rond 1800 en sluiten we af met een voorbeeld rond 1900.

Verlicht verdriet

Veelal was er rond 1800 sprake van verlicht verdriet. Dat blijkt  uit de manier waarop Willem Cornelis Ackersdijck, een protestantse bestuurder in het katholieke Den Bosch, rond die eeuwwisseling rouwde. In 1791 overleden twee van zijn kinderen aan de pokken. Zij werden begraven in het familiegraf in de Sint Jan. De gespaarde nakomelingen liet hij inenten met de pas uitgevonden koepokken. Dit ging in tegen de richtlijn van de gereformeerde kerk die stelde dat ziekte en dood tot Gods domein horen.

Wanneer er iemand overleed, rouwde Ackersdijck in zijn studeerkamer. Daar schreef hij in een zwart gekaft cahier een grafschrift en een lijkzang. Bovendien noteerde hij na het overlijden en na elk half jaar en op de sterfdag hoe hij zich voelde. Dat deed hij op een verlichte maar ook gevoelige wijze. Hij vond troost in de gedachte dat hij zijn overleden gezins- en familieleden eens weerzag in de hemel.

Tijdens de Bataafse en de Franse tijd herwonnen de katholieken aan invloed in de Brabantse hoofdstad. Bovendien werd het gerechtshof naar Breda verplaatst. Dat had gevolgen voor zijn carrière. De binding met Den Bosch werd ook privé losser. Sinds het overlijden van twee van zijn kinderen, had Ackersdijck als overbezorgde vader zijn enig overgebleven zoon Jan zeer beschermd opgevoed. Toen Jan in Utrecht ging studeren, verhuisde het gezin Ackersdijck daarom naar de Domstad. Hier had Ackersdijck meer werk. Bovenal kon hij zijn zoon Jan hier ook beter in de gaten houden.

Toen zijn vrouw in 1827 overleed, rouwde Ackersdijck als zo vaak in zijn studeervertrek. In het zwart gekafte schrift plakte hij ook een uitgeknipt stukje papier met de laatste handtekening van zijn echtgenoot. Dit is typerend voor een man die leefde met de pen in de hand. Het bewaren van een handtekening en de melancholieke toonzetting van zijn rouwbeklag zijn ook kenmerkend voor het Biedermeier dat in deze tijd al gestalte kreeg. Ackersdijck die later nog naar Rotterdam verhuisde, overleed in 1843 er werd op de pas geopende algemene begraafplaats Crooswijk begraven.

Nicolaas Beets 

Nicolaas Beets is, zoals gezegd, een typische representant van het Biedermeier. Hij werd geboren in 1814 te Haarlem als zoon van een apotheker en ging in Leiden theologie studeren. Daar maakte hij furore als studentdichter. Aan het eind van zijn studie publiceerde hij onder het pseudoniem Hildebrand de humoristisch getoonzette verhalenbundel Camera obscura. Het boek werd tot en met de herdruk in 1851 nog met verschillende bijdragen aangevuld.

Eenvoud en fatsoen

In het verhaal ‘De familie Stastok’ laat hij zien dat zelfs een arme als Keesje het diakenhuismannetje fatsoenlijk, dat wil zeggen volgens burgerlijke normen, wilde worden begraven. In ‘De familie Kegge’ is het verdriet om de dood van zoon en kleinzoon William zelfs het centrale thema. Het weggestopte verdriet van de vader en het verlangen van de grootmoeder naar hereniging met William zijn uitingen van het Biedermeier.

In het opstel ‘Begraven’ uit 1837 geeft hij zijn persoonlijke kijk op de funeraire cultuur in die dagen. Acht jaar na het ingaan van het verbod op het begraven in kerken had Hildebrand wel begrip voor de eerbiedwaardige zwakheid van ouderwetse christenen die nog een graf in de kerk wensten. Hij moest echter niets hebben van de wereldlijke eerbewijzen aan de doden in het huis van God. Ook de nieuwe begraafplaatsen met hun gekunstelde en overladen inrichting konden hem niet bekoren. Eenvoud was bij Hildebrand het sleutelwoord. Hij verkoos een eenvoudige begrafenis met behulp van de buren op een al even simpel dorpskerkhof. Een eenvoudig gedenkteken kon het graf sieren tot de Dag des Heren kwam. ‘De dood is arm, en heeft haar eigen poëzie’, aldus Hildebrand.

Weemoed en berusting

Na in 1839 te zijn afgestudeerd als theoloog, werd Beets het jaar daarop als predikant beroepen naar Heemstede. In hetzelfde jaar trouwde hij met jonkvrouw Aleide van Foreest. Het echtpaar kreeg negen kinderen. In zijn studeerkamer verwerkte hij zijn gedachten en gevoelens over gebeurtenissen binnen het gezin in tal van gedichten.

Beets kreeg zoals zo velen binnen zijn gezin te maken met sterfgevallen. Door gebrek aan hygiëne en medische kennis was de kindersterfte hoog en stierven veel vrouwen in het kraambed. De nabestaanden berustten noodgedwongen in het onvermijdelijke. Vanwege de emotionele band in het burgerlijke huisgezin was er tegelijk veel verdriet om de dood van een van hen. Anders dan de langdurige rouw van koningin Victoria om haar vroegtijdig gestorven Albert, lagen in Nederland berusting en verdriet ten grondslag aan het verstilde Biedermeier verdriet.

 

SENTIMENT

 

 

Op de foto het kindergraf uit 1878 van de familie De Block (tabaksfabrikanten) op de begraafplaats van de St. Joriskerk in Eindhoven. Het meisje is slapend, liggend in kussens, afgebeeld. Op het witte natuursteen is aan één zijde een gedicht gegraveerd, op een andere zijde is de tekst

AAN ONS ENIGST DOCHTERTJE/LOUISE ADOLPHINE HELENE THEORINE/DE BLOCK/GEBOREN TE STRATUM 26 SEPTEMBER 1873/EN ALDAAR OVERLEDEN 1 JANUARI 1878 leesbaar.

Het graf is een rijksmonument omdat het de ontwikkeling van katholieke grafcultuur zo mooi demonstreert. De glazen omhulling maakt het bovendien typologisch uiterst zeldzaam.

In 1850 werd Beets getroffen door het overlijden van zijn nog geen twee jaar oude zoon. Het jongetje werd begraven op het algemene deel van de algemene begraafplaats van Heemstede die in 1828 door tuinarchitect Jan David Zocher jr. als landschapspark was ingericht. Kennelijk kon dit type begraafplaats dat hij in 1837 nog als gekunsteld kenschetste, hem nu wel bekoren. Beets en zijn vrouw bezochten geregeld zwijgend het graf met de gedenksteen dat door eiken, platanen en een kastanje werd overschaduwd. Wanneer het gezin ’s winters rond de huiselijke haard zat, waren de kleine kinderen vrolijk maar vulden de harten van de ouders zich met weemoed.

‘dan gaat wel nooit het oog, met innig welgevallen,
Van blij gezicht tot blij gezicht,
Of  ’t hart gedenkt u, dierbaar wicht!
En zegt: Ziedaar zijn plaats; hier is hij uitgevallen’.

Hoewel Beets in sentimentele bewoordingen beschreef hoe een bleke maan het grafje verlichtte met koude stralen, had hij er desondanks vrede mee dat God zijn zoon tot zich had geroepen.

Verstild verdriet

Toen Beets in 1854 naar Utrecht werd beroepen, lieten hij en zijn vrouw de band met het graf in Heemstede los. In 1856 overleed Aleide kort na de geboorte van hun negende kind, Theodorus genaamd. Het kind overleed een jaar later. Beiden werden op de algemene begraafplaats Soestbergen begraven. Deze rustplaats was eveneens door Zocher als landschapspark ingericht.

Beets bewaarde een streng blond haar van Aleide met de condoleancebrieven in een map met memorabilia in zijn studeerkamer. Een jaar na haar overlijden bezong Beets in ‘Nagedachtenis’ het voorbije huiselijk geluk. Hij noemde haar een engel die op vrome wijze haar taak als moeder volbracht. Tijdens het grafbezoek toonde Beets zich ontvankelijk voor de wisseling van de seizoenen waarmee de natuur hem een levensles gaf. Hun dochtertje Agnes plukte in de lente een lelie. Het opkomen van deze lievelingsbloem van Aleide verwees volgens Beets naar het opbloeien van het geloof in God.

Eenvoudig graf

Toen eind 1857 zijn oudste zoon Martinus zestien jaar oud overleed, kocht Beets op Soestbergen een familiegraf. Hier kreeg de jongeman zijn laatste rustplaats. Bovendien liet Beets de stoffelijke overschotten van Aleide en Theodorus daar herbegraven.
Drie jaar na het overlijden van Aleide trouwde Beets met haar jongere zus Jacoba en kreeg hij met haar nog zes kinderen. Een van hen werd vernoemd naar zijn eerste vrouw, een veel voorkomende manier om de dierbare overledene niet te vergeten. De namen van de jongens, van wie er uiteindelijk vier stierven, gebruikte hij bewust niet opnieuw om hun gedachtenis in de volle omvang in ere te houden. Uiteindelijk stierven van de vijftien kinderen er zes een vroegtijdige dood.

Beets die in 1874 nog in de Domstad tot hoogleraar kerkgeschiedenis en christelijke ethiek was benoemd, stierf zelf hoogbejaard in 1903. Hij werd naast zijn eerste echtgenote ter aarde besteld in een zandgraf. Een eenvoudige hardstenen zerk markeert zijn rustplaats. Aangezien Beets geen grafschrift met eerbewijzen wenste en slechts christen en Nederlander had willen zijn, staat op de zerk alleen te lezen: ‘God is mijn licht’.

Terugblikkend zijn leven en werk van Nicolaas Beets met het Biedermeier in verband te brengen. Telkens pleitte hij voor eenvoud en stelde hij zijn vertrouwen in God. Zijn hang naar huiselijkheid, de vergelijking van Aleide met een engel, het bewaren van haar haarlok, het vredelievende karakter van zijn funeraire poëzie, de grafcultus en de verwevenheid van het natuurgevoel met het geloof in de opstanding waren doordesemd van het Biedermeier.

 

 

 Sinds de jaren zeventig van de negentiende eeuw verzuilde de samenleving en dit had consequenties voor de houding tegenover de dood. Opkomend voor het gelijkheidsideaal namen de socialisten afstand van het ‘Biedermeier’ burgerlijk fatsoen. Daarin klonken in hun ogen voortdurend het benepen standsbesef en de verwerpelijke godsdienstigheid door.

Een voorbeeld van dit strijdbare verzuilde verdriet is de begrafenis van Petrus Jacobus Luitink. Deze handelsvertegenwoordiger en lieddichter was lid van de Amsterdamse afdeling van de Internationale en genoot bekendheid als schrijver van het populaire Vrijheidslied. Luitink die aan tuberculose leed, stierf in 1871 op 29-jarige leeftijd. Hij liet een vrouw en drie kleine kinderen achter.

De afdeling Amsterdam van de Internationale kreeg van zijn weduwe toestemming om de begrafenis te organiseren. Het werd een luisterrijk evenement. In het weekblad De Werkman kwam op de voorpagina een zwartgerande rouwadvertentie te staan. Het bericht benadrukte de atheïstische houding van Luitink die niet in het hiernamaals geloofde. Het blad riep belangstellenden op om de volgende dag op de Nieuwendijk Luitink de laatste eer te komen bewijzen. Op deze zondag verzamelden zich tweehonderd leden van de Internationale en liepen in de rouwstoet mee naar begraafplaats Zorgvlied. Daar hadden zich nog eens duizend(!) belangstellenden verzameld. De aanwezigen luisterden naar toespraken en zongen met ontbloot hoofd het tweede couplet van het door de gestorvene geschreven Vrijheidslied.

Pas na de begrafenis kwam het achtergelaten gezin weer in beeld. De weduwe kreeg het geld uit een collecte onder de aanwezigen. In De Werkman kwam een oproep te staan om toch vooral boodschappen te doen in de kruidenierswinkel die de weduwe had geopend om aan inkomsten te komen. Daarmee verdween het verstilde verdriet om de dood van een gezinslid naar de achtergrond en kwam het accent te liggen op het verzuilde verdriet om een overleden lid uit de achtergestelde socialistische familie.

Verstopt verdriet

Het funeraire Biedermeier was overigens een wat langer leven beschoren. Funeraire cultuur heeft doorgaans een conservatief karakter. Mogelijk speelden de hang naar traditie bij het herdenken van gestorven kinderen en ouderen hierbij een rol. Haarwerkjes verdwenen pas in de jaren dertig van de twintigste eeuw uit de huiskamers. Foto’s namen de plaats in als objecten waaraan nabestaanden hun herinneringen verbonden. Ze waren tijdens het leven gemaakt en verwezen naar de gelukkige momenten uit het verleden.
Op de begraafplaatsen leidde de ongereguleerde plaatsing van gedenktekens en accessoires als graftrommels tot de verrommeling van het aanzien. Daarom gingen de houders van begraafplaatsen in de jaren dertig van de twintigste eeuw eisen stellen aan de ontwerpen voor gedenktekens. Uitbreidingen van begraafplaatsen en nieuwe gedenktekens kregen zo een sober en daardoor uniform karakter. In dezelfde tijd verdween de grafcultus. De bevolking leefde langer, werd mobieler en had daarom minder tijd en gelegenheid om de graven van overledenen te bezoeken.
Typerend voor de geleidelijke teloorgang van het verstilde verdriet is de opkomst van de crematiebeweging. In 1874 werd in Den Haag de Vereeniging voor Lijkverbranding opgericht. Met name liberalen en later socialisten kozen voor crematie. Domineedichter Nicolaas Beets schreef twee korte gedichten die gericht waren tegen lijkverbranding. In 1880 dichtte hij:

‘Naar d’oven, naar d’oven!
Die ’t lijk verbrandt, verbrandt den dood’

De mens vernietigde door de crematie als technisch procedé eigenhandig en eigenmachtig het lichaam en zo verdwenen de dood – en daarmee het geloof in het hiernamaals – volgens Beets uit beeld.

Vanzelfsprekend hadden nabestaanden nog steeds verdriet om de dood van hun dierbaren. Maar het verstilde Biedermeier verdriet had plaats gemaakt voor het verstopte verdriet van de 20e eeuw.

 

Deze tekst is een bewerking van Cappers Aan deze zijde van de dood. Funeraire componenten van seculariserende cultuurlandschappen in Nederland 1576-2010 (Arnhem, 2012) II, 679-727.

 

BIJSCHRIFT:

De biedermeierperiode is een periode in de Duits/Oostenrijkse (kunst)geschiedenis die ruwweg liep van 1815 (het Congres van Wenen) tot het revolutiejaar 1848. Evenals in andere Europese landen was dit een periode van burgerlijke reactie en politieke restauratie.

De biedermeier was een reactie op de overladen empirestijl met zijn militaire, op de Romeinen geïnspireerde ornamenten. Na een revolutie en twee decennia oorlog verlangde men naar huiselijkheid, vriendelijke vormen en nationale ornamenten. Borduurwerk werd uitgevoerd in petit point, met bijvoorbeeld lieflijke bloemmotieven.

Waar in de empirestijl zwaarden werden gebruikt, ziet men in de biedermeier zwanen of een harp. Lichte houtsoorten komen in de plaats van verguldsel. Ook in de literatuur en de muziek treden gezelligheid en gevoel in de plaats van de heroïek en de grote gebaren van classicismeen de 18e-eeuwse romantiek.

.

.